Bloedverdunners zorgen ervoor dat het bloed minder snel stolt. De term bloedverdunners is onjuist. De voorkeur wordt gegeven aan de benaming antistollingsmiddelen. De antistollingsmiddelen kunnen worden onderverdeeld in trombocytenaggregatieremmers en anticoagulantia. De anticoagulantia onderdrukken de diverse stollingsmechanismen in het bloed, ook wel stollingsfactoren genaamd. Trombocytenaggregatieremmers remmen de samenklontering van de bloedplaatjes. De onderstaande antistollingsmiddelen worden onder meer na een hartinfarct, een herseninfarct (CVA) of een TIA gegeven om te voorkomen dat er een nieuwe afsluiting ontstaat en bij bepaalde vormen van hartkramp (instabiele AP). Ook bij boezemfibrilleren worden antistollingsmiddelen voorgeschreven om te voorkomen dat er bloedpropjes ontstaan die in de hersenen terecht kunnen komen. Na chirurgische ingrepen aan de bloedvaten en bij bepaalde vormen van vaatziekten kan de arts ook bloedverdunners voorschrijven.

Mogelijke bijwerkingen trombocytenaggregatieremmers

Omdat er maar een kleine hoeveelheid nodig is voor remming van de klontering van bloedplaatjes, zijn er bijna geen bijwerkingen. Soms treden buikpijn of maagpijn, brandend maagzuur of misselijkheid op.

Mogelijke bijwerkingen anticoagulantia

Last van onverklaarbare blauwe plekken of ongewone bloedingen, bijvoorbeeld een bloedneus, een wond die blijft bloeden, hevige of onverwachte menstruatie, bloed in de urine of de ontlasting, ophoesten of uitbraken van bloed of iets dat eruit ziet als koffiedik. Soms komen verstoppingen, teerachtige ontlasting, buikpijn, maagpijn, misselijkheid of huisuitslag voor.

Trombocytenaggregatieremmers:

  • acetylsalicylzuur (Aspirine®)
  • carbasalaatcalcium (Ascal®)
  • clopidogrel (Plavix®)
  • ticagrelor (Brilique®)

Anticoagulantia (vitamine K-antagonisten):

  • acenocoumarol (Sintrom®)
  • fenprocoumon (Marcoumar®)

Directe orale anticoagulantia (DOAC’s)

  • dabigatran (Pradaxa®)
  • rivaroxaban (Xarelto®)
  • apixaban (Eliquis®)