Hartrevalidatie fase 1: de klinische fase in het ziekenhuis

Fase I begint direct na de acute cardiologische gebeurtenis en opname op de coronary care unit (CCU) of intensive care unit. De behandeling wordt direct gestart. Hiermee is de kans op een slechte prognose als gevolg van complicatie het kleinst.

In de eerste dagen na een infarct is het risico op complicaties groot. Gedurende deze dagen worden pols, bloeddruk en ECG nauwlettend in de gaten gehouden met behulp van monitoren bij het bed en op een centraal punt. Zo kunnen complicaties in een vroeg stadium worden opgemerkt en kan schade zo veel mogelijk worden voorkomen.

Het fysiotherapeutische onderzoek in deze fase van de opname bestaat voornamelijk uit het controleren van de ademhaling op diepte en frequentie. Bij patiënten is in deze periode de ademhaling vaak oppervlakkig en snel. De meeste patiënten zijn angstig en hebben pijn bij het diep doorademen en hoesten. Wanneer er een thoraxoperatie heeft plaatsgevonden, is dit een veelvoorkomend probleem. Door de oppervlakkige manier van ademen krijgt het sputum de mogelijkheid om naar de onderste longtoppen te zakken. Hierdoor kan een pneumonie ontstaan. Dit is voor de fysiek zwakke patiënt een ernstige complicatie.

Wanneer patiënten worden opgenomen met pulmonale problemen (bijvoorbeeld bronchitis, emfyseem, aspiratie na reanimatie), zal de behandeling voornamelijk bestaan uit het geven van ademhalingsoefeningen en voorlichting over de verschillende ademhalingstechnieken afhankelijk van hun probleem. Accenten worden gelegd op forced expiration technique (FET), optimale ademhalingstechniek en hoesttechniek.

Wanneer bij een normaal herstel het risico op complicaties afneemt, wordt de patiënt verplaatst naar de verpleegafdeling. Soms is het nodig om ook dan nog de controle te houden door middel van het ECG. Patiënten worden dan uitgerust met een mobiele zender (telemetrie). Via deze zender wordt op een centraal punt het cardiogram in de gaten gehouden. De cardioloog of arts bepaalt vervolgens of de patiënt gemobiliseerd kan worden. De klinisch fysiotherapeut bepaalt het mobilisatieprogramma. De duur van dit programma is afhankelijk van de grootte van het infarct, eventuele complicaties (decompensatie, ritme- en of geleidingsstoornissen en welbevinden van de patiënt).

Behandeling

De behandeling bestaat uit oefentherapie volgens een mobilisatieschema en het geven van voorlichting aan de patiënt over het mobiliseren en het opbouwen van het inspanningsvermogen. Ook geeft de fysiotherapeut voorlichting over hoe verder te gaan in de thuissituatie, het opbouwen van het inspanningsvermogen en wat de patiënten wel en niet moeten doen de eerste zes weken na thuiskomst.

De fysiotherapeut beantwoordt eventuele vragen van de patiënt en legt uit wat de doelstelling van het mobilisatieprogramma is.

Mogelijke doelstellingen voor mobilisatie

  • het geven van ziekte-inzicht
  • het vergroten van het zelfvertrouwen en afnemen van angst voor inspanning
  • mobiliseren tot ADL-zelfstandigheid
  • verminderen of verbeteren van pulmonale problematiek
  • het verbeteren van de thoraxmobiliteit
  • het voorkomen van postoperatieve complicaties

Wanneer een patiënt kan beginnen met mobiliseren, is afhankelijk van de grootte van het infarct. Meestal is dat één tot twee dagen na het infarct. Er wordt begonnen met het verticaliseren van de patiënt door hem even naast het bed te laten staan en in de stoel te zetten. Vaak is dit al een zware belasting voor de patiënt. De tijden van het staan en zitten worden geleidelijk uitgebreid en er wordt gestart met het lopen van kleine stukjes op de kamer. Bij een normaal herstel is de patiënt na vijf à tien dagen in staat om 500 meter te lopen. Vaak wordt gebruik gemaakt van een mobilisatiefasenschema, wat aangeeft wat de patiënt per dag wel en niet mag doen.

In het begin wordt de intensiteit bepaald door de fysiotherapeut en de arts. Lichaamssignalen als zweten, kortademigheid en benauwdheid worden daartoe in de gaten gehouden. Deze signalen lijken in meer of mindere mate op de signalen van vóór het incident. Veel patiënten zijn dan ook angstig om te gaan bewegen. Later in de behandeling wordt de intensiteit meer in handen gelegd van de patiënt zelf, om op deze manier te werken aan het vertrouwen in eigen kunnen.

Voor oudere of ernstig geïnvalideerde patiënten (met zeer beperkte ADL vóór het infarct), wordt een mobilisatieprogramma gemaakt waarin wordt getracht de patiënt weer terug te brengen op het inspanningsniveau van voor het infarct.

Tijdens de mobilisatie wordt standaard de pols gemeten, zowel voor als na de mobilisatie. Er wordt gelet op angina- pectorisklachten (AP), de ademhaling, de kleur van het gelaat en andere klachten zoals claudicatioklachten. Indien er afwijkingen zijn van het normale of het al bekende, wordt dit doorgegeven aan de arts en de verpleging. Bij het optreden van AP-klachten maakt de verpleging een volledig ECG en laat het interpreteren door de arts.

In het weekeinde en ’s avonds gaat het mobilisatieprogramma door. De verpleging voert dan het mobilisatieprogramma uit dat de fysiotherapeut heeft voorgeschreven.

Bij een multidisciplinaire behandeling is overleg noodzakelijk. Zowel ’s ochtends als ’s middags is er, voordat de patiënten worden gemobiliseerd, overleg met de arts en/of de verpleging. In dit overleg wordt de eventuele gewijzigde toestand van de patiënt besproken.